Advocatenkantoor Heirman

arrest Beneluxgerechtshof :dekking verplichte aansprakelijkheidsverzekering ivm niet-bereden voertuig

" Het Benelux-Gerechtshof in de zaak A 2002/1

1. Gelet op het op 15 april 2002 door de Politierechtbank te Gent uitgesproken vonnis in de zaak van Patricia Jooris tegen het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, onderlinge verzekeringsvereniging, gevestigd te 1040 Brussel (verder te noemen: GMWF), waarbij overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof (verder te noemen: het Verdrag) aan dit Hof een vraag van uitleg van de Gemeenschappelijke Bepalingen (verder te noemen: GB) behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (verder te noemen: de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966) wordt gesteld;

Ten aanzien van de feiten:

2. Overwegende dat uit het vonnis de navolgende feiten blijken: - de bromfiets van Patricia Jooris stond geparkeerd op de openbare weg; - Franky Van de Genachte leidde zijn bromfiets aan de hand en stootte met zijn elleboog de geparkeerde bromfiets van Patricia Jooris omver, waardoor die bromfiets omviel en beschadigd werd; - de bromfietsen zelf hebben elkaar niet geraakt; - de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de bromfiets van Franky Van de Genachte was niet verzekerd en daarom heeft Patricia Jooris schadeloosstelling van GMWF gevorderd;

3. Overwegende dat de Politierechtbank te Gent bij vonnis van 15 april 2002 de volgende vraag van uitleg aan het Hof heeft gesteld: “Dient de WAM-verzekeraar op basis van artikel 2, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in samenlezing met artikel 3, § 1, van de Gemeenschappelijke Bepalingen horende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 de door de 2 derde ([Patricia Jooris]) geleden schade te vergoeden nu te dezen de schade door de verzekerde werd veroorzaakt terwijl hij een bromfiets aan de hand leidde en de schade werd veroorzaakt door een contact tussen het voertuig van de derde benadeelde en de persoon van de verzekerde die de bromfiets aan de hand leidde zonder dat er een contact was met de aan de hand geleide bromfiets zelf?”; Ten aanzien van het verloop van het geding:

4. Overwegende dat het Hof, overeenkomstig artikel 6, lid 5, van het Verdrag een voor conform getekend afschrift van het vonnis van de Politierechtbank te Gent heeft gezonden aan de partijen en aan de Ministers van Justitie van België, Nederland en Luxemburg;

5. Overwegende dat de Minister van Justitie van België gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid een schriftelijke uiteenzetting in te dienen;

6. Overwegende dat de partijen de gelegenheid hebben gekregen schriftelijke opmerkingen te maken over de aan het Hof gestelde vraag; dat voor Patricia Jooris door mr. P. Heirman, advocaat te Gent, een memorie en voor GMWF door mr. R. Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie, een memorie en een memorie van antwoord zijn ingediend;

7. Overwegende dat de eerste Advocaat-generaal J. du Jardin op 28 februari 2003 schriftelijk conclusie heeft genomen; Ten aanzien van ’s Hofs bevoegdheid:

8. Overwegende dat GMWF aanvoert dat het Hof onbevoegd is omdat de gestelde vraag geen betrekking heeft op een gemeenschappelijke bepaling maar op artikel 7, § 2, van de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966, naar luid waarvan ieder der Verdragssluitende partijen, voor de gevallen waarin in de tussenkomst van het waarborgfonds voorzien is, de voorwaarden waaronder schadeloosstelling wordt toegekend en de omvang daarvan, bepaalt; 

9. Overwegende dat de gestelde vraag echter geen betrekking heeft op voormeld artikel 7, § 2, maar op de artikelen 2 en 3 GB die in de Belgische WAMwet zijn opgenomen;

10. Overwegende dat de nationale rechter ervan uitgaat dat GMWF tot tussenkomst gehouden is indien het schadegeval onder het toepassingsgebied van de Belgische WAM-wet valt en aan de verzekeringsplicht niet is voldaan;

11. dat de gestelde vraag aldus niet ertoe strekt te weten of GMWF in dat geval tot tussenkomst is gehouden, maar of het schadegeval onder het toepassingsgebied van de artikelen 2 en 3 GB valt;

12. Overwegende dat het tussen de partijen niet is betwist, enerzijds, dat het ongeval plaatshad met een voertuig waarop de WAM-wet van toepassing is en, anderzijds, dat ook de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor een niet-bereden bromfiets kan vallen onder de verplichting tot dekking door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van de WAM-wet voldoet en waarvan de werking niet geschorst is;

13. Overwegende dat hieruit volgt dat niet relevant is de opmerking van de Minister van Justitie van België dat in België de verzekeringsplicht niet geldt voor aan de hand gevoerde tweewielige motorrijtuigen;

14. Overwegende dat de gestelde vraag dus relevant is voor de oplossing van het geschil en het Hof bevoegd is om de gestelde vraag te beantwoorden;

Ten aanzien van het recht:

15. Overwegende dat, zoals hiervoor reeds is uiteengezet, het tussen de partijen niet is betwist, enerzijds, dat het ongeval plaatshad met een voertuig waarop de WAM-wet van toepassing is en, anderzijds, dat ook de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor een niet-bereden bromfiets kan vallen onder de verplichting tot dekking door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van de WAM-wet voldoet en waarvan de werking niet geschorst is; 

16. Overwegende dat het Hof geen uitspraak doet over de toepassing van GB op een concreet geschil, zodat de gestelde rechtsvraag luidt: “Brengt de omstandigheid dat er geen materiële aanraking is geweest tussen de niet-bereden bromfiets en de persoon of de goederen van de benadeelde, mee dat de aansprakelijkheid van de persoon die de bromfiets aan de hand leidt, niet gedekt is door de verplichte aansprakelijkheidsverzekering?”;

17. Overwegende dat voor dekking vereist is dat het motorrijtuig aan het verkeer deelneemt en dat die deelneming aan het verkeer in oorzakelijk verband staat met de aangerichte schade;

18. Overwegende dat het feit dat een bromfiets niet wordt bereden maar al dan niet met draaiende motor aan de hand wordt geleid, niet noodzakelijk meebrengt dat die bromfiets niet aan het verkeer deelneemt;

19. Overwegende dat er een oorzakelijk verband moet zijn tussen enig gebruik van het motorrijtuig in het verkeer en de veroorzaakte schade en dat zodanig verband kan bestaan zonder dat sprake is van materiële aanraking tussen het motorrijtuig en de persoon of de goederen van de benadeelde;

20. dat het aan de feitenrechter is voorbehouden hierover te beslissen; Ten aanzien van de kosten:

21. Overwegende dat het Hof, volgens artikel 13 van het Verdrag, de kosten moet vaststellen welke op de behandeling voor het Hof zijn gevallen, welke kosten omvatten de honoraria van de raadslieden van partijen voor zover zulks in overeenstemming is met de wetgeving van het land waar het bodemgeschil aanhangig is;

22. dat, krachtens de Belgische wetgeving, de honoraria van de raadslieden niet zijn begrepen in de kosten die aan de in het ongelijk gestelde partij in rekening worden gebracht;

23. dat op de behandeling voor het Hof geen andere kosten zijn gevallen; 

24. Gelet op de conclusie van de Eerste Advocaat-generaal J. du Jardin;

25. Uitspraak doende op de door de Politierechtbank te Gent bij vonnis van 15 april 2002 gestelde vraag;

Verklaart voor recht:

26. De omstandigheid dat er geen materiële aanraking is geweest tussen een niet-bereden bromfiets en de persoon of de goederen van de benadeelde, brengt niet mee dat de aansprakelijkheid van de persoon die de bromfiets aan de hand leidt, niet gedekt is door de verplichte aansprakelijkheidsverzekering.

Aldus gewezen door de heren J. Jentgen en M. Lahousse, mevrouw G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp en de heren R. Schmit en E. Forrier, rechters, de heren A. Hammerstein en F. Fischer, mevrouw A.M.J. van BuchemSpapens en mevrouw L. Mousel, plaatsvervangende rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting te Brussel, op 15 december 2003 door de heer M. Lahousse, voornoemd, in aanwezigheid van de heren J. du Jardin, eerste advocaat-generaal, en C. Dejonge, waarnemend hoofdgriffier. (w.g.) C. DEJONGE (w.g.) M. LAHOUSSE"

 

Advocaten Heirman, Gent